Vraag niet aan mensen wat je zelf niet bereid bent om te doen
We schrijven 2011. Het was het eerste Karakterweekend in Schotland, en Theo van den Heuvel en ik hadden een fantastisch idee. De volgende avond zouden tachtig mannen vanuit Nederland in de Schotse Hooglanden aankomen. Ze zouden vijf kilometer door besneeuwde bergen lopen voordat ze bij hun basiskamp zouden arriveren. Zo vanachter hun computerscherm vandaan zouden ze onderweg gaan in het 72 uren durende avontuur dat Karakterweekend heet. Een avontuur waarvan wij hoopten dat het levensveranderende impact zou hebben.
Om het moment van de overgang van de veilige voorspelbaarheid van de maatschappij naar de ‘liminal space’ van de wildernis te markeren hadden Theo en ik bedacht dat er een initiatierite nodig was. Een ‘skinny dip’ in een snelstromende, ijskoude bergrivier. We hadden nog nooit van ijsbaden gehoord, of van het nut van koud douchen. Het leek ons eenvoudigweg een natuurlijke manier om iedere deelnemer te helpen om de knop goed om te zetten. Na de dip zou voor iedereen duidelijk zijn dat ze zich niet hadden aangemeld voor een gewone wandeling door de Highlands.
Maar één ding was voor Theo en mij duidelijk. Indien wij de mannen wilden vragen om het avontuur aan te vangen met een skinny dip, dan moesten wij zelf het eerst gaan.
Dus stonden wij die eerste nacht rond een uur of twee aan de oever van die rivier. De sterren fonkelden. Het vroor dat het kraakte. Het maanlicht weerkaatste op het donkere water van de bergrivier. We zochten een binnenbocht waar het water wat minder hard stroomde, keken elkaar aan en kleedden ons snel uit. We sprongen in het water, dompelden ons onder, en klommen proestend uit de rivier.
Dit moment markeerde voor mij een bronles in leiderschap die ik sindsdien altijd heb toegepast: Vraag nooit aan anderen wat je zelf niet bereid bent om te doen.
In de context van 4M betekende het bijvoorbeeld dat ik zelf altijd mee liep met de routes, en vaak meer liep dan anderen. Op momenten dat er fondsen geworven moesten worden, en iedereen daarmee verlegen was, pakte ik zelf de telefoon om potentiële sponsors te benaderen. Als er gesprekken te voeren waren waar iedereen tegenop zag, wist ik dat ik niet van anderen kon vragen wat ik zelf niet bereid was om te doen.
Afgelopen zomer herkende ik deze zelfde Bronles voor Leiderschap toen ik de commandant van de Franse Bergcommando’s sprak. De leider van deze elitetroepen van het Franse leger vertelde hoe de kern van leiderschap voor hem is dat je altijd tussen je troepen staat. Dat je met ze meeloopt, mee klimt, mee draagt. Als je samen door dik en dun gaat, bouw je een kameraadschap waarmee je het onmogelijke mogelijk kunt maken.
Churchill was de leider die de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog inspireerde om stand te houden tegen de Nazi’s. Zeker in de eerste jaren hing het lot van Groot Brittannië meermaals aan een zijden draadje. Churchill vuurde het volk en het leger aan met woorden als: ‘We zullen vechten op de stranden. We zullen vechten op de landingsplaatsen. We zullen vechten in de velden en de straten. En wij zullen ons nooit overgeven.’
Het waren woorden als deze die het Britse volk de moed van de hoop gaven. Moed om te sterven of levend om te komen voor het goede. En de kracht van deze woorden zat niet alleen in de welsprekendheid. Iedere Brit wist dat ze waren uitgesproken door een man die niet van mensen vroeg wat hij zelf niet bereid was om te doen. Als jonge soldaat en journalist had hij zijn leven immers keer op keer in de waagschaal gezet. In zijn autobiografie ‘My early life, a roving commission’ vertelt hij over zijn onwaarschijnlijke avonturen in de frontlinies van Cuba, India, Sudan en Zuid Afrika.
Mensen volgen geen woorden. Mensen volgen voorbeelden. Mensen volgen leiders waarvan ze weten dat zij niet iets van de ander vragen dat zij zelf niet bereid zijn om te doen.
Dus of het nu gaat om werkethiek, het aangaan van uitdagingen, het werken door de moeite heen, het tonen van kwetsbaarheid of dienstbaarheid; vraag niet aan anderen wat je zelf niet bereid bent om te doen.